Inspirerende woorden

Woorden van anderen als bron

Woorden uitgesproken, missen elke kracht.

Soms heb je het gevoel dat datgene wat je ten diepste raakt of bepaalt niet onder woorden te brengen valt. Je hebt het gevoel dat je met jouw woorden zelfs niet bij benadering kunt beschrijven hoe het echt voor jou is. Niet naar jezelf toe, maar zeker niet naar anderen toe. Je eigen woorden schieten te kort. Je staat voor je gevoel met de mond vol tanden. Je valt stil.

Woorden van anderen kunnen je dan helpen om van wat in je leeft toch iets onder woorden te brengen. Ik noem die – doorleefde – woorden van anderen inspirerende woorden: woorden die je kunnen helpen om jezelf te verwoorden. Ik hoop dat je in deze woorden van anderen kracht vindt om jezelf te verwoorden en dat je er inspiratie uit haalt.

Hieronder een aantal teksten met inspirerende woorden.


Tips voor de lezer: beschouw deze teksten niet als ‘leesvoer’ (en ga ze dus niet achter elkaar doorlezen), maar bezoek af en toe deze pagina en kies een tekst uit en laat die echt bij je binnenkomen: neem er tijd voor, kauw op de tekst en kijk wat die inspirerende woorden jou op dat moment te zeggen hebben.

Moed houden (Doorgaan, simpelweg en religieus)

(Herman Andriessen)

Moed houden, eenvoudig voortgaan,
als je kunt.
En als je niet kunt, niet meer kunt,
wachten,
of uitrusten bij een vriend,
als die er is.
En, als die er niet is,
tóch wachten, – dan maar alleen – wachten tot het weer gaat:
straks.

Eenvoudig voortgaan, de weg nemen
zoals die komt
met z’n vóór en z’n tegen,
je oog helder als een lamp
die je lijf verlicht.
Doen wat ter hand is.
Antwoorden geven als die er zijn.
En intussen voelen
de tik van je stok,
niet teveel omzien – een enkele keer soms,
want de weg gaat dwars door je hart – niet teveel omzien,
en niet teveel ook vooruit.

Eenvoudig voortgaan en weten:
deze weg is niet alles,
en is niet van deze wereld alleen.
De wolken zien die aandrijven
uit eeuwige verten – wie trok er hun grens? – en je hart voelen inkloppen
op de eeuwige heuvels – wie heeft ze gegrond? – en van de dingen
de stille kant zien…
waar ze grenzen aan
de Eeuwige…

Emmaus

(Nico Siebel)

Soms lijk ik
op een Emmausganger
trek ik
met anderen op
delen we pijn en moeite
begrijpen we het leven niet
verdwaald in eigen denken
zien we slechts donkerte
en plotseling
zoals Hij heeft beloofd
is daar zijn Geest
die in ons woont
brengt Hij
de woorden in ons boven
van moed en kracht
zelfs overwinning
herinneren we ons
wat Jezus heeft gezegd
trekken
de donkere wolken op
reizen we opgewekt
lichtvoetig
en vol vreugde verder
anderen vertellend
dat Hij waarlijk leeft.

Begaanbare Grond

(Ellen van Dam)

Waar je stappen zet
Ontstaat grond
Waar je samen stappen zet
Ontstaat begaanbare grond
Die grond zal je dragen
Je kunt dan op weg gaan
Zoekend zullen je voeten je richting bepalen.

Door je goed gevulde rugzak
Hoef je niet bang te zijn
Voor moeilijk begaanbaar terrein
Het droge zal zichtbaar worden
Door je samenspraak met de anderen
Hoef je niet bang te zijn
Op je eigen manier zul je je plek vinden
Waar het licht wordt geboren
En waar de aarde zich heeft getooid met jong groen gras.

“Wandeluur”

(Bart Ypma)

Een glazige blik
door het raamkozijn
een mistige doorkijk
langs het rookgordijn
een aardig zicht
op het landschap
een verzettende deurpost
nog een stap
een hoekig loopje
van de trap
een geopende buitendeur
nu natuur
een zwalkend paadje
wandeluur

Naar buiten geroepen

(Anselm Grün)

Ik trek mijn wandelschoenen aan
pak mijn rugzak
maak thee en brood klaar
neem afscheid
van thuis
van wat me lief is geworden.

Ik ben bang
voor het onbekende
schrik terug voor de uitdaging
twijfel aan de weg
ik mis landkaarten
en wegwijzers.

Zomaar
op pad gaan
op uw woord
de stad achter mij laten
bereid zijn
de weg met U te gaan.

Angst
onmacht
wanhoop
en toch ook vertrouwen
een heel groot vertrouwen
en protest en overgave.

Ik geef me aan U
ik ga met U
ik laat los en
hou me vast aan U
ik doe mee
en laat los.

Ik ben bereid
omdat Gij me vasthoudt
Ik ben bereid
omdat Gij me roept

Wandelschoen

(Lon van de Akker)

In die tijd, de dagen dat het bidden weer eens niet lukte,
en lucifer na lucifer het liet afweten om de kaars van gebed vlam te laten vatten, toen geschiedde het, dat U me een schoen toonde, een wandelschoen, en U sprak:
“Ziehier een gebed. Zoals jij deze schoen draagt, zo draag Ik jou als je mij in je hart draagt. Daar ben ik graag en woord of beeld is er niet voor nodig. Wees niet bang om op woorden van gebed te vertrouwen, ook als hun oorspronkelijke belofte niet aan jou gedaan werd;
want zie deze schoen: door jou is hij niet gemaakt, maar door anderen – die leer met leest en hamer de juiste pasvorm gaven. Met die intentie gezet, laat Ik elke stap een woord uit een gebed zijn, het bospad een zin, een wandeling een bladzij.

Gaandeweg

(Leo Jacobs)

gaandeweg de weg gegaan
de weg gegaan
om stil te staan
om stil te worden
stil van binnen
gaandeweg
de weg naar binnen.

Ik ben op weg gegaan

(Freek van der Veen)

Ik ben op weg gegaan
om de wereld te ontdekken
en de mensen.
Om stil te staan
bij de dingen
en om stil te zijn.
om het zonder woorden uit te zingen.

Ik ben op weg gegaan
om te ontdekken wie ik ben,
geweest ben,
worden zal,
om te roepen in de woestijn.
Om de stem van God te horen
en alleen te zijn.

Ik ben op weg gegaan
verzonken in gedachten.
Zonder te vragen
naar de weg
en naar de stad, volgde ik mijn dromen.
Weg in mijzelf,
ben ik eindelijk aangekomen.

Onderweg

(Guy Dilweg ofm.)

Moe gelopen en moe gedacht.
Mijn hoofd wil maar niet leeg worden
En mijn hart blijft bezwaard
Over wat ik achterliet.

Ik zit.
Het mos prikt
Mieren slepen dennennaalden heen en weer
Een vogel strijkt neer in een tak boven mijn hoofd
Zingt een helder lied.
Ik luister
Met aandacht
En hoor de variaties in zijn lied.

Als de muziek stilvalt.
Gaat het zingen in mij door.
Mijn ziel jubelt door mijn zorgen heen.
Het is goed.
Het is goed dat ik besta,
Dat ik ga.
Ik sta op
En buig diep voor de vogel.

Ik loop

(Gerard van Maasakkers)

Ik zet d’n ene voet vur d’n andere voet en ik loop ’t is mee vallen en opstaon begonnen, ik loop honderd schoenen versleten en God mag ’t weten hoeveel paar ik in m’n leven nog koop Ik zet d’n ene voet vur d’n andere voet en ik loop

De wereld schuift onder m’n voeten vurbij als ik loop en ik kan linksaf, rechtsaf of blijf ik in de rij, ik loop in zeuven sloten tegelijk, zand of slijk ik hoef geen ticket of geen kaartje te kopen ik zet d’n ene voet vur d’n andere voet en ik loop

Ik kan naor veuren, kan blijven staon, ik kan naor veuren want te-rug da zal nie gaon Ik kan naor veuren, kan blijven staon ik gao naor veuren en daor kunde van op-aan

Wie kom ik onderwege tegen en mee wie gao ik mee, as ik loop Vur wie verander ik van koers, of gao ik retour, ik loop Vur wie zal ik blijven staon, Wie zingt er zo schoon, Da ik geen schoenen of cd’s meer koop Ik zet d’n ene voet vur d’n andere voet en ik loop

En ik mag hopen as ik nie meer lopen kan da m’n schoen zijn versleten en da ik alles zal weten.

Van de paden en de wegen en de stegen as ik loop Van de lanen en de straatjes en de gaatjes as ik loop Van wa ik nie ha moeten doen Vur m’n goei fatsoen En van het rechte pad, naar ik hoop, Ik zet d’n ene voet vur d’n andere voet en ik loop

Ik kan naor veuren, kan blijven staon, ik kan naor veuren want te-rug da zal nie gaon Ik kan naor veuren, kan blijven staon ik gao naor veuren en daor kunde van op-aan

Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet, Ene voet, andere voet

Jouw spoor

(Angèle Spijkers)

Jouw spoor,
jouw pad,
ik volg de weg
Jij roept mijn naam.
Ik luister,
de twijfel verdwijnt
ik weet waarheen
ik moet gaan!

Wandelen

(Marinus van den Berg)

Wie wandelt, wandelt nooit alleen.
altijd zijn er wel vogels, altijd de wind
of de waterstromen,
de bronnetjes soms
of passanten.
Altijd zijn er de bomen
en de wolken die je groeten
of de strakke blauwe hemel.
En de zijwegen en kruispunten
die vragen om een keuze.
Altijd zijn er je gedachten
die meetrekken als engelen
of als duivels, die je plagen.
Alleen wandelen bestaat niet.

Wandelen brengt je ook altijd weer
op je innerlijke weg
en brengt je thuis.

Bij het wandelen

(Auteur onbekend)

Steeds weer zoeken
mijn voeten de aarde.
Adem verbindt mij
met al wat leeft.

Mijn ogen zien:
het regent licht.
Mijn oren geloven blind
wat zij horen:

achter mij fluisteren
zacht de duizenden
uit wier liefde
ik werd geboren.

Voor mij wacht
het land van belofte.
Mijn stok
weet de weg.

Zo reist mijn ziel
door de tijd.
Zo trekt de geest
door de stof.

Ik doe niets
fout of goed.
Ik ga maar
en groet.

Wandelaar

(Antonio Machado)

Wandelaar, jouw voetstappen
zijn de weg, niets meer;
Wandelaar, er is geen weg,
de weg maak je al lopende.

Al lopende maak je de weg,
en als je omkijkt,
zie je het spoor,
dat je nooit meer zult
bewandelen.

Wandelaar, er is geen weg,
alleen de rimpelingen
van de zee.

Vroeg in de morgen

(Andries Govaart)

Vroeg in de morgen; dauw lag op het land
zijn wij op weg gegaan, het afscheid van een vriend,
verwaaide groet.
Geen zware last, wat kleren en een brood.
Geen stok om mee te gaan, een eerste struikelpas,
steun voor elkaar.

Nog onvervuld, verlangend zoeken wij,
de ruimte van het land, de wijdte van de tijd,
een vriend, mijn God.
Langs groenend graan, belofte voor de oogst,
een schaduw voor mij uit, gestalte vaag bekend,
trekken wij op.

Een smal hard pad, tussen de velden door,
de aren barstensvol, verzengde zonnebloem,
een stenen tijd.
De dag is vuur, de aarde dichtgeschroeid.
Met zout doordrenkt gaan wij, de lippen zwijgen droog,
de ogen mat.

Vergeten, waarom wij zijn gegaan,
geen zicht meer op het doel, wij dwalen rond verdwaasd,
haast zoekgeraakt.
Geen schaduw achter mij, geen die mij schraagt, mij troost,
een stok alleen.

Het land verkleurt, het avondlicht maakt mild,
een stil weids vergezicht, het suizen van de wind.
Het water wacht.
Het koren is geoogst, de velden leeg.
Gedreven worden wij, niet meer op eigen kracht,
weer met elkaar.

Tot rust gekomen is mijn ziel in mij.
U bent ons landschap, God, de ruimte van de tijd
geeft U alleen.
Met duizenden gaan wij de tijden door,
zien torens aan de kim, kantwerk van licht en steen:
een nieuwe stad.

Pelgrim

(Auteur onbekend)

op weg
steeds maar op weg
moeizaam voortsjokkend
langs knoestige knotsen
van bomen
kreunend in hun gewichten

een modderpad
met zwarte dreigende plassen

de hemel houdt op
waar moddervoeten
traag, onzeker
voort slibberend
naar steun zoeken
in de blubber

plotseling plassen
als spiegels die
de lucht
gevangen houden

een mens
van zijn voeten
bevrijdend
een mens
richt zich op
ongelovig
hopend
een gat in de wolken.

Onderweg

(Ingmar Heytze)

Of je nu een leven inloopt of eruit,
je schaduw zit je op de hielen
en een woud van borden
wijst, wijst, wijst.

Je loopt alleen, altijd alleen,
al weet je duizend mensen
om je heen, en loopt er soms
iemand een eindje mee.

Wandel op de middenweg,
niet tussen einde en begin,
je bent je eigen wandeling.
Je loopt een leven uit, een leven in.

Camino

(Jan de Jongh)

Leven is op weg zijn,
bergen beklimmen, waden door rivieren,
bloemen plukken bij maanlicht,
dwalen door eenzaamheden en woestijnen,
een kaars branden tegen de storm,
oplopen met anderen of hen dragen,
brood delen en vieren in de nacht.

Leven is pelgrimeren,
een tijdlang werken aan de weg,
een brug bouwen over het water,
rovers en duivels verjagen,
waken en bidden met zieken,
doden begraven bij de kapel.

Maar nooit raken de pelgrims thuis:
‘vreemdelingen’ vestigen niet.
Wanneer zij eindelijk aankomen,
weten ze wat ze vermoedden:
DE WEG IS HET DOEL.

Wandelaar

(13e eeuwse inscriptie op een kloostermuur in Toledo)

Wandelaar, je voetstappen zijn de weg
en niet meer dan dat.
Wandelaar, er is geen weg,
de weg ontstaat al gaande.
Al gaande ontstaat de weg
en als je achterom kijkt
zie je het pad, dat je nooit meer kunt gaan.
Wandelaar, er is geen weg,
enkel kielzog in zee.

Uit voetreis naar Rome

(Bertus Aafjes)

Reizen, het is zijn hart losmaken
van het anker der kleine vaart,
om het vlot te laten geraken
op de zeeën der wereldkaart.
Het is zijn hart van het beminde
losrukken, fier en onbevreesd.
Om het schoner nog weer te vinden
dan het ooit voordien is geweest.

Sporen

(Auteur onbekend)

Je schoenen grazen
de paden kaal
zetten hun tanden in stenen
als je stijgt in de bergen
struinen stoffige wegen af
in het zand zwelgen ze
aan een beek nippen ze
een pad happen ze door het gras.
Tegels, asfalt,
alles hebben ze gehad:
als je ze invet
en wegzet
herkauwen ze
jouw voettocht in de kast.

Aangekomen

(Thich Nhat Hanh)

Ik ben aangekomen
ik ben thuisgekomen
in het hier
en in het nu,
stevig,
vrij
verwijl ik
in het absolute

De weg

(uit: Hella Haasse, De Scharlaken Stad, Querido, 1952, pag. 81)

De weg zelf moet ieder alleen gaan.
Wat weet ik van jouw pelgrimstocht,
wat weet jij van de mijne?
Is dit niet juist het kernpunt
van onze overtuiging
dat ieder voor zich
in eigen wezen God leert kennen?

Pelgrimslied

(van Jan Hopman, als pelgrim in het harnas gestorven in 1994, melodie: Licht dat ons aanstoot)

Mensen die gaan langs vele wegen,
altijd en iedereen op weg.
Geen blijvend huis, geen vaste stede:
altijd verlaten wat je hebt.
Geen vaste koers, geen lichtend baken,
altijd vaarwel en naar waarheen?

Opstaan en weer opnieuw verlaten
wat in de aanvang veilig scheen.
Mensen gaan onderweg tezamen,
spreken en vragen naar elkaar.
Zoeken de wegen als ze dwalen,
wijzen het spoor de ander aan.
Altijd weer nieuwe moed te vinden
en delend van elkanders brood.

Horen naar wat het hart beminde:
Wat is je diepst gewenste droom?
Aankomen wanneer? Nooit ten einde.
eens toch de lange weg gegaan.
O, mochten wij dan samen delen,
ieder vertelt zijn reisverhaal.
Het laatste doel vereent de wegen:
zal niet herkenning vrede zijn?
Over nog meer moet nu gezwegen,
meer kan een pelgrimslied niet zijn.